Wederom op concours

Het is zeven uur ’s ochtends en m’n sokken zijn al doorweekt. Het weiland, dat dienst doet als parkeerterrein is nog nat van de dauw. Ik sjouw een hoedje, een jas, vliegenspray, videocamera, isotoon drankje en een soort zitstok met me mee, en probeer m’n vrouw te vinden op het losrijterrein. Dat moet niet moeilijk zijn; ze zit op een paard, heeft een wit bloesje aan en om haar nek een slabbetje met een speldje erdoor en het haar in een knotje. Maar tot mijn schrik blijkt iedereen er zo uit te zien en dus ga ik maar een beetje passief aan de kant zitten.

Het is helaas geen ‘landelijke’ wedstrijd en dat vind ik jammer.

Bij de ‘landelijke’ slaat men al tamelijk vroeg aan de drank en in de biertent heerst er een saamhorige sfeer van mannen die vandaag  allemaal sukkels zijn. Verder is ‘landelijk’ altijd gezellig georganiseerd als een kermis, met muziek en suikerspinkraampjes, een vrijwilliger die hamburgers grilt die nog van koninginnedag over waren en een omroeper die iedereen over de muziek van Frans Bouwer heen een sportieve en ondanks de regen een fijne dag toewenst.

Landelijk rij je de proef op een hobbelig weiland tussen bordjes en niet, zoals bij de ‘dressuurprikkers’ op een mooi glad gazon, tussen hekjes in, met liefst een gegrasmaaide middellijn. Maar behalve de biertent is een ander voordeel van de landelijke dat je er geldprijzen kunt winnen terwijl je bij de dressuurprikkers meestal een onbegrijpelijk zilveren gebruiksvoorwerp krijgt. Laatst wonnen we iets waarvan het me niet duidelijk was of het een dienblad, een spiegel of een schilderijlijst voor een enorm ovaal portret was?

Geldprijzen zijn  mij altijd erg welkom, en rits ik altijd direct uit de handen van mijn vrouw als de voorzitter haar nog aan het zoenen is. Maar dan onderweg naar huis verklaart ze dat dat geld in een speciaal potje moet waar ze dan later eens iets leuks voor de paarden voor gaat kopen. En ik staar mat voor me uit. Niets kleine bijdrage in de astronomische kosten van haar geldverslindende hobby. Een potje. Waar ik niet aan mag komen.

Tijdens de tweede proef, die ik moet voorlezen, begint het onbedaarlijk hard te regenen en ik hoor door het geraas van de onweersbui telkens ‘Harder!, Harder lezen!’ roepen en ik tuur in het doorweekte boekje. Maar omdat ik de overkant van de baan amper kan zien weet ik niet of zij nu al bijna bij de M is, waar een door mij aangekondigd kunstje gedaan dient te worden. Met de rand van de hoed vol water en een warme glimlach -hoezo hondenweer- groet zij netjes af.

Tijdens het uitstappen klaart het snel weer op en moet de proef worden doorgenomen. ‘Jammer van die ene wissel hè’, zegt ze en dat beaam ik dan gedwee. ‘Zo slecht was die toch niet!!’, valt ze me beledigd dan aan.

Een uur later staan we in een rij te wachten totdat we eindelijk aan de beurt zijn om door de jongeman met de tractor uit het drassige weiland te worden gesleept.

Thuis, als ik de stront en blubber van m’n handen was, opgelopen bij het helpen uitrekken van haar rijlaarzen (ik kon dat apparaat daarvoor even niet vinden) staat ze ineens achter me en slaat haar armen om me heen.

‘Gezellig was het hè’, zegt ze.

‘Heel!!’, beaam ik en ben blij dat het morgen weer gewoon maandag is.

Nieuwste voorstellingen & columns in de mail? Schrijf je in voor de nieuwsbrief. Dat doe je hier.

Voor de agenda met alle speeldata en plaatsen: Klik hier.

2019-05-23T21:05:17+01:00 01-05-2019|