Johnny

Onze oude Jerry was 32 geworden. Shetlanders worden oud en Jerry had een rijk en afwisselend leven gehad. Hij had een sulky waarmee wij en alle buurkinderen over de hei scheurden. Hoe harder hoe leuker, vond Jerry. Als er sneeuw lag werd de sulky vervangen door een sleetje. Gewoon zo een houten ding waar je moeder je vroeger mee voorttrok, en totaal ongeschikt om achter een shetlander te knopen, omdat slee plus gillende passagier topzwaar waren. Dat had veel sneeuwhappen tot gevolg.

Jerry moest ook veel vriendendiensten verlenen. Had een kennis een poosje maar één paard op stal, dan moest Jerry daar voor gezelschap zorgen. Een andere kennis had een paard dat beslist niet alleen in de trailer wilde staan. Het hele wedstrijdseizoen logeerde Jerry daar dan om telkens als eerste de trailer in te gaan: ‘is dat nou zo moeilijk…?’

Jerry was een zeer aanwezige pony. Dominant tegenover de grote paarden. Vol streken en grappen tegen ons. Altijd vroeg op om ons aan de voertijden te herinneren, en ontsnappen door de kleinste kieren om de borders van de buren leeg te eten.

Toen hij 32 was hield het ineens op. Hij was oud, moe en vond het welletjes.

Door omstandigheden hadden wij op dat moment maar één paard op stal staan, en met het overlijden van Jerry stond deze Haflinger ineens alleen. En dat kan dus niet. Een paard is immers een kuddedier en alleen is geen kudde. Er moest een gezelschapspony komen en we vonden Pukkie, een mini-shetlander. Pukkie was het tegenovergestelde van Jerry. Echt een meisje. Lief, beleefd, schattig en mooi. Daar waren we blij mee. Rust op stal. Dachten we.

Al snel bleek wanneer mijn vrouw naar de les was of langdurig met een vriendin buitenrijden, dat Pukkie een enorme attitude ging maken: ‘Hé, ik ben een kuddedier, en ik sta alleen; dat kan dus niet!!’

En zo kwam het dat er een gezelschapspony voor onze gezelschapspony moest komen, en breidde onze veestapel zich dus toch weer uit. Verzamelen, noemen ze dat geloof ik in de paardenwereld.

De nieuwkomer was een ruin, ook een mini, niet groter dan 90cm. De vorige eigenaar had Johnny aangeschaft omdat dat ‘zo leuk  is voor de kinderen’. Maar dat is een wijdverbreid misverstand en dat komt omdat ze er zo schattig uitzien. Shetlanders kunnen behoorlijke krengen zijn en Johnny duldde geen kleuters op zijn rug  en rekende daar snel mee af: Schud, bok, stop: ziezo! Zo kwam Johnny bij ons.

Mijn vrouw vond dat Johnny zijn energie niet kwijt kon; zijn enige taak was gezelschapspony te zijn, en dus bedachten ze dat hij voor een karretje moest leren lopen.

Nou was Johnny nogal schrikkerig aangelegd bij situaties die hij niet kende, dus voorzichtigheid en geduld was geboden.

Er werd een mooi karretje gekocht, met vier wielen en een heuse bok waar je op kon zitten. Voor het tuig moesten we met Johnny naar een meneer die als een Parijse kleermaker met duimstok en meetlint om Johnny heenrende en alles op maat voor ons bij elkaar zocht en in elkaar zette.

Maar Johnny was nog onbetuigd zoals dat heet, dus liep mijn vrouw eerst zonder kar achter de pony aan. Leidsels in de hand. Stemhulpen gevend. Rondjes door de bak, en na een maand liep ze met Johnny door het dorp. ‘Ben je wat verloren, buurvrouw’, werd veelvuldig gehoord wanneer zij dravend achter Johnny aan rende, maar met de kar durfde ze nog steeds niet aan.

De volgende stap was dat wij een steekkar aan het tuig bevestigde. Daardoor trok Johnny nu echt een karretje maar liep mijn vrouw er nog steeds achter, de twee handvatten van de steekkar in de hand.

Ik kwam er achter wat het probleem was. Paardenmeisjes zijn niet snel bang óp een paard, maar áchter een paard ‘heb je niets te vertellen!’ Ze willen dat paard tussen de knieën hebben, en met alleen twee leidsels in de hand is het alsof je achterin de bus zit en ontdekt dat er geen chauffeur is. Mijn vrouw maakte onopgevoede 3 jarige hengsten zelf zadelmak, maar op een karretje achter een Hobbit van 90 cm vond ze doodeng.

Na nog twee maanden met het steekkarretje voor gek te hebben gelopen werd onze prachtige wagen eindelijk aan onze pony geknoopt en moest ik meelopen; ‘Vasthouden, niet loslaten, ik vind het eng…!‘

Na nog een maand mocht ik loslaten, en fietste ik mee, mijn vrouw nog steeds tot het uiterste gespannen maar het ging goed, en Johnny trok vanaf dat moment altijd een tevreden gezicht als hij trip-trap-trip-trap in een rustige draf over de straat en de hei ging.

Toen ging hij ineens heel raar en eng hoesten. We gingen over op nat hooi, gaven hem hoestdruppels, een hoestmedicijn, maar telkens bij de eerste inspanning begon hij blaffend te hoesten.

De dierenarts constateerde trachea-collaps. Een te nauwe luchtpijp die bij inspanning dichtklapt.

Het komt veel voor bij shetlanders. Arme Johnny. Arme wij! Hadden ze dat niet eerder kunnen zeggen.

Johnny staat nu weer gezellig in de wei iemand gezelschap te houden en is van al zijn andere taken ontheven.

En dat karretje, dat tuig, die leerboeken ‘aangespannen rijden’; gaan die op Marktplaats of denken we dit ooit nóg een keer op te kunnen brengen?


Deze column is eerder in de BIT verschenen.

Wil je meer columns lezen? Dit is mijn nieuwe boek!


 

2018-05-02T21:59:53+00:00 02-05-2018|